homeDiversen

inleiding

inhoudsopgave

65+

aanhaalmoment

blokkeer betaalkaarten

boeken

boeken sport

chocolade

denk na

diversen

dvd regio codes

ebay tips

eenheden

ergeren

febreze

formats omzetten

gereedschap

geurtjes

god

groot-brittannie

grotten in frankrijk

homoniemen

ice

identificatie

ip codes

isbn

kleding etiquette

kleding-maten

kopen

larry

leeftijd beslissingen

legitimatie bezoeker

marktplaats tips

non nieuws

omgangsvormen

opmerkelijk

quotes

satelliettelefoon

schoenen

senseo ontkalken

spellen

staande gehouden

telefoon

0900 nummers

alfabet fonetisch

belangrijke tel.nummers

blokkeer cards

toegangsnummers europa

verkopen

vochtvreter

tv series

vroegah

wasvoorschriften

whisky

Homoniemen*.   Woorden met identieke spelling én uitspraak, maar ongelijke betekenis.    Aanvullingen: graag.
Aantal op 12 oktober 2018:  488.

 Aankomen•arriveren  •in gewicht / omvang toenemen  •iets aanraken (jij mag daar niet aankomen)
 Aanslag•laagje afgezet vuil  •een overval
 Aanspraak•weinig aanspraak (weinig mensen om mee te praten)  •recht om het bezit of gebruik van iets te vorderen (hij maakt aanspraak op)
 Aanstellen•overdrijven  •een nieuw afdelingshoofd aanstellen
 Aanval•aanval van de vijand  •plotselinge ziekte
 Aarden•gewennen  •met de aarde verbinden
 Aardig•een aardige buurvrouw  •het loopt aardig in de papieren (wordt kostbaar)
 Aas•lokspijs  •een kaart in het kaartspel
 Accomodatie •passagiersaccomodatie  •aanpassen (accomodatie van het oog)
 Acht•een getal  •rekening houden met (de etiquette in acht nemen)
 Adres•NAW gegevens  •zich richten aan (verzoekschrift)
 Advocaat•een drankje  •rechtsgeleerde
 Afgang•een gebouw neerwaards verlaten  •een echec (wat een afgang)
 Afmaken•beëindigen, klaar zijn met  •vernederen, doden
 Afslag•afslag op een (snel)weg  •beginplaats van een hole in het golfspel  •visafslag (verkoop op een veiling)
 Aftuigen•op een zeilboot alle zeilen strijken  •iemand een geweldig pak slaag geven
 Amsterdammertje •bierglas met bepaalde inhoud  •paaltjes op parkeren te verhinderen
 Anker•versteviging van een muur (muuranker)  •manier om een schip op dezelfde plaats te houden (een schip gaat voor anker)  •een maat voor wijn
 Arm•lichaamsdeel  •niet rijk
 As•rest van verbranding  •draaipunt (as van een wiel)
 Baan•afgelegde weg (de aarde draait in een baan om de zon)  •arbeidsbetrekking
 Bak•grap, grol, mop  •opvang-bak
 Bakken•in de oven bereiden  •vaten / kisten
 Bal•speelgoed  •party, gala, feest  •oneerbiedige benaming van iemand (wat een bal)
 Band•ligament (een band van bindweefsel om een gewricht)  •horizontale versiering van een gevel  •omslag om een boek  •lopende band (continue voortbewegende strook)  •magneetband (van een bandrecorder)  •band om een wiel  •een deel van het frequentiespectrum bestemd voor radioverkeer  •vorm van menselijke sociale organisatie  •aaneengesloten bereik van frequenties van licht, radiogolven, straling of geluid  •muziekgroep
 Bank•om op te zitten  •bewaarder van geld  •zandophoping in zee
 Bar•plek waar drank geschonken wordt  •heel erg
 Bas•een instrument  •een zanger
 Beeld•resultaat in de beeldhouwkunst  •iets dat gezien wordt (daar heb ik een goed beeld van)  •gedachte (mentale verbeelding)
 Been•lichaamsdeel  •een stuk bot (wanneer twee honden vechten om een been...)
 Beker•een sterrenbeeld  •voorwerp om uit te drinken  •een gewonnen prijs  •een onderdeel van veel muziekinstrumenten
 Bel•glas tot de rand gevuld (een bel wijn)  •aanbellen (bel aan een deur)
 Beleefd•meegemaakt (hij heeft het een en ander beleefd)  •voorkomend
 Berenklauw•klauw van een beer  •een plant
 Bespreken•reserveren (een kamer bespreken in een hotel)  •onderwerp van gesprek (zullen we dat eens bespreken)
 Bestek•gereedschap om te eten  •afmetingen, tekening, plan voor een te bouwen gebouw
 Beuk•een boom  •iemand een beuk (zet, duw) geven
 Beurs•portemonnee  •gekwetst, beschadigd (die appel is beurs)
 Bevallen•geboorte  •goede waardering
 Blaas•enkelvoud van het werkwoord blazen  •lichaamsdeel
 Blad•blad aan een boom  •tijdschrift  •bladzijde in een boek
 Blik•kijken (een dodelijke blik)  •opbergmiddel (een blik knakworstjes)
 Blikken•kijken (als blikken konden doden)  •van blik
 Bloem•meel  •bloesem
 Blokken•studeren  •een blok hout
 Bocht•slechte drank  •kromming in de weg
 Boeken•meervoud van een boek  •winst boeken  •reserveren (een reis boeken)
 Boer•agrariërs  •oprisping
 Bof•een ziekte  •een meevaller
 Bok•een dier  •turntoestel  •plek voorop een paard en wagen
 Bol•een rond voorwerp  •tulpenbol  •(hij heeft het hoog in zijn bol)
 Bomen•gesprek voeren  •houtgewas  •een boot voortduwen
 Bont•bewerkte dierenhuid  •erg (zo bont heb jij het nog nooit gemaakt)
 Boodschap•dingen kopen (even boodschappen doen)  •maling hebben aan (daar heeft hij geen boodschap aan)  •mededeling
 Boog•apparaat om een pijl weg te schieten  •halfronde overspanning  •verleden tijd van het werkwoord buigen (hij boog voor de koningin)
 Boom•een gewas  •gesprek (zullen we daar eens een boom over opzetten?)
 Bord•om van te eten  •(verkeers)bord
 Bos•een heleboel bomen  •een bos bloemen
 Bot•lichaamsdeel  •cru, onbeleefd, kort aangebonden  •stomp (een bot mes)
 Botten•planten botten uit  •beenderen
 Brak•mengsel van zoet en zout water (dat water is brak)  •verleden tijd van het werkwoord breken
 Bril•hulp voor je ogen  •wc-bril
 Brits•bed  •uit Groot-Britannië
 Broeder•koek  •monnik
 Broek•pantalon  •nat land
 Brug•gymnastiektoestel  •verbinding tussen twee oevers
 Buizen•drinken  •pijpen / leidingen  •opspatten van water voor de boeg van een schip, buiswater
 Bul•een stier  •diploma
 Bunker•zwaar versterkt gebouw ter verdediging  •een hindernis in het golfspel
 Bus•middel van openbaar vervoer  •om spullen in op te slaan (theebus, collectebus)
 Cel•een groep mensen (een cel terroristen)  •ruimte voor gevangenen  •kleinste levensvorm
 Club•een vereniging (handbalclub, hockeyclub)  •een slagattribuut in het golfspel
 Corps•lettergrootte  •corps mariniers
 Coup•een ijsje  •overval (het leger pleegt een coup)
 Dag•deel van de week  •begroeting
 Dam•waterkering  •promotie van een schijf in het damspel
 Dame•vrouw  •figuur in het schaakspel
 Das•een dier  •omslag om de nek, stropdas
 Dek•een bedekking (dekzeil, dek op een bed)  •buitenoppervlak van een schip
 Deken•geestelijke  •kleed  •toezichthouder in de advocatuur
 Dicht•gesloten  •vlak bij elkaar, dicht opeen
 Dik•omvangrijk  •waardering (dat is dik in orde, dat is dik voor elkaar)
 Dobber•zware taak, een hele dobber  •visgerei
 Dol•houder voor de roeispaan  •wild (een dolle boel)
 Dom•niet slim  •een kerk
 Dot•plotje wol/katoen  •een schatje van een jongen/meisje
 Doven•niets horenden  •uitdoen / uitgaan
 Draagbaar•brancard  •gedragen kunnen worden (die stoel is draagbaar)
 Drift•vaart  •boosheid
 Drijven•voor zich uit jagen (drijfjacht)  •op het wateroppervlak blijven
 Dronken•te veel alcohol op  •verleden tijd van het werkwoord drinken
 Drop•snoep, lekkernij  •laten vallen (ik drop de sleuteks daar)
 Duim•lichaamsdeel  •een Engelse maat aanduiding  •iemand geluk wensen (ik duim voor jou)
 Duur•veel geld kosten  •(tijds)duur
 Eer•voordat  •goede doen (hij is in zijn eer aangetast)
 Eikel•vrucht van een boom  •onvriendelijke bejegening van iemand (wat een eikel)
 Eind•ver (een eind weg)  •(uit)einde van bv. een stuk touw
 Eksteroog•het oog van een ekster  •likdoorn
 Elf•een getal  •mythologisch figuur
 Els•een priem (gereedschap)  •een boom
 Eng•smal, nauw  •angstaanjagend
 Enkel•lichaamsdeel  •alleen
 Even•deelbaar door twee  •ogenblik
 Ezel•een dier  •houder voor een schildersdoek
 Ezelsoor•het oor van een ezel  •een vouw in een bladzijde van een boek
 Fles•container (wijnfles)  •failliet (dat bedrijf is op de fles)
 Flessen•containers (wijnflessen)  •oplichten, onrechtmatig benadelen
 Fluit•blaasinstrument  •aanduiding van hoeveelheid (een fluit bier)  •waardering (dat interessert me geen fluit)
 Fret•een dier  •dunne schroefboor
 Gaaf•leuk  •zonder mankementen
 Gang•loopwijze van een paard  •doorloop in een gebouw
 Gans•allemaal (gans het land)  •een vogel
 Garde•klopper (keukenhulp)  •lijfwacht
 Gat•een opening (een gat in de heg)  •bips (op je gat zitten)
 Geboeid•geketend  •vol aandacht
 Geest•mythologisch figuur  •teneur (in de geest van)
 Gelaten•verslagen (hij maakt een gelaten indruk)  •ik heb een wind gelaten
 Gerecht•rechtbank  •maaltijd
 Geslacht•de koe is geslacht door de slager  •welke sexe (man of vrouw) heeft dat dier  •een taxonomische groep
 Getikt•aangeraakt bij een tikspelletje  •zot, niet goed snik
 Gevaren•voltooid deelwoord van het werkwoord varen  •risico's
 Gier•een vogel  •mestvocht
 Gieren•hard lachen  •meervoud van een gier (vogel)
 Gift•een gave  •venijn (giftig)
 Glas•om uit te drinken  •een materiaal
 Goed•voor een japon  •bezit
 Gok•neus  •waagstuk
 Golf•een spel  •een golf in de zee
 Graad•een eenheid van temperatuur  •eenheid in de meetkunde  •eenheid in de geografie  •een eenheid in scheikundige en natuurkunde metingen  •onderwijsterm (Dr, Drs, mr., ir., bc., ing., B.A., M.A., doctor)  •verwandschapsgraad binnen een familie  •hiërarchische functieaanduiding binnen een organisatie (leger, vrijmetselarij)  •mate van verbranding van een persoon (eerste graads, vierde graads)
 Gram•een gewichtsaanduiding  •wraak (zijn gram halen)
 Graven•spitten  •meervoud van een graf  •adelijke personen
 Griep•influenza  •meertandige mestvork
 Griet•bijnaam voor een grutto  •een platvis  •kleinerende aanduiding voor een meisje, vrouw  •een voornaam
 Grond•aarde  •een reden
 Haan•mannelijke kip  •trekker van een pistool / geweer
 Haar•begroeiing op je hoofd  •eigendomsaanduiding (het is haar speelgoed)
 Haast•bijna (dat is haast niks)  •versneld tempo (vliegende haast)
 Hagel•neerslag  •munitie
 Hak•achterdeel van de zool van een schoen  •tegenwerken (iemand een hak zetten)
 Haring•een vis  •mini paaltje om de scheerlijn van een tent aan vast te zetten
 Harmonie•overeenstemming  •muziek groep
 Heet•erg warm  •werkwoord (die jongen heet Kees)
 Hijsen•optrekken (broek)  •drinken
 Hoeven•meervoud van hoef (paardenhoef)  •werkwoord (wij hoeven dit niet te doen)
 Hof•iemand het hof maken  •tuin  •aan het hof van de koning  •deel van de rechtspraak
 Hol•enkelvoud van het werkwoord hollen (rennen)  •zonder inhoud (een hol vat)
 Hommel•een insect  •een snaarinstrument
 Hoofd•lichaamsdeel  •hoofd van een afdeling, afdelingshoofd
 Hoop•verwachting  •stapel
 Hoorn•gewei (van een koe)  •een hoorntje ijs (waar een ijsje in wordt gedaan)
 Hop•een vogel  •grondstof voor bier
 IJsberen•een dier  •heen-en-weer lopen
 IJzer•een metaal  •club in het golfspel
 Kaart•een speelkaart  •een landkaart
 Kader•groep uitvoerenden  •richtlijn
 Kalkoen•een dier  •stuk van een muuranker
 Kalven•afspoelende grond  •jonge koeien
 Kam•om je hoofdhaar te ordenen  •bergkam
 Kamer•ruimte in een huis  •deel van de rechtspraak
 Kant•zijde (mijn kant van het verhaal)  •borduursel
 Kapen•stelen  •landpunten
 Kardinaal•een boei  •een geestelijke  •een zangvogel
 Kat•een dier  •bazige vrouw (dat is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken)
 Kater•mannelijke poes  •toestand van malaise, na overvloedig drankgebruik of een teleurstellende ervaring
 Katjes•bloesem  •jonge poezen
 Kauwen•voedsel vermalen  •vogels
 Keren•omdraaien  •meerdere voorkomens
 Kever•een insect  •eem auto-model van Volkswagen
 Kieken•fotograferen  •kuiken
 Kies•lichaamsdeel  •niet netjes
 Kikker•een dier  •houvast op een boot om een lijn aan vast te maken
 Kisten•van de wijs brengen (laat je niet kisten)  •opslag ruimte, houten doos
 Klappen•applaus  •begrijpen (hij kent het klappen van de zweep)
 Klas•ik zit in de vijfde klas  •een lokaal op school
 Klem•met nadruk iets zeggen  •om iets vast te zetten (een wielklem)
 Kletsen•praten  •slaan (zich op de dijen kletsen van plezier)
 Klier•lichaamsdeel  •vervelend iemand, zeurpiet
 Kloek•een vrouwtjes kip met kuikens  •vastberaden, dapper (een kloeke actie)
 Klopt•mee eens (die optelling klopt)  •aankloppen (hoor wie klopt daar kinderen)
 Kluts•in de war zijn (hij is de kluts kwijt)  •scrimage in bv. voetbal met onverwachte uitkomst
 Knaapje •hanger voor jas, blouse, polo  •jongetje
 Knip•werkwoord (knippen met een schaar)  •geen knip voor de neus waard zijn  •portmonnee  •geluid maken met je vingers (hij knipt met zijn vingers)
 Knippen•buigen  •afsnijden
 Knol•een paard  •wortel
 Knoop•één van de punten van de snijlijn tussen de banen van twee hemellichamen  •een graaf bestaat onder andere uit een verzameling knopen  •de (klokvaste) verzameltijd voor treinen of bussen op een station  •de niet trillende punten van een snaar  •een methode om indrukhardheid te meten  •een makkelijk los en vast te maken verbindingsmiddel bij kleding  •een verdikte plaats aan de stengel van een plant  •verbinding tussen twee stukken touw  •snelheidsmaat in de zeevaart en luchtvaart
 Knuffel•omhelzing  •een speelgoedbeest als knuffel
 Knuppel•stuurstang van een vliegtuig  •slagattribuut bij honkbal  •beledigende opmerking over een man (wat een knuppel)
 Koning•vorst van een land  •figuur in het schaakspel
 Koningin•vorstin van een land  •figuur in het schaakspel
 Kop•beker  •hoofd  •bovenkant (een spijker op de kop slaan)
 Koppen•meerdere kopjes (hoeveel koppen koffie moet ik inschenken)  •hoofd (zij staken de koppen bij elkaar)  •actie bij voetbal (de bal koppen)
 Koper•iemand die koopt  •een metaal
 Koppel•broeksriem  •een tweetal
 Kraai•een vogel  •familie (hij heeft kind noch kraai)
 Kraan•machine die voorwerpen kan optillen  •afsluiter/opener van een leiding
 Krabben•meervoud van een krab (een dier)  •krabbelen
 Kraken•onwettig bewonen  •knerpen  •onwettig oplossen (een versleuteling kraken)
 Kras•een streep  •levendig (de man is nog kras)
 Kroes•een mok om uit te drinken  •kleine krullen (kroes haar)  •schampere benaming van iemand (wat een kruk)
 Kroon•opzetstuk op een kies  •kroon van de koning
 Kruk•hulpmiddel bij het lopen (hij loopt op krukken)  •klein stoeltje (melkkruk)  •schampere benaming van iemand (wat een kruk)
 Kussen•hoofdkussen  •zoenen
 Kust•enkelvoud van het werkwoord kussen  •land wat een zee grenst
 Kwal•een zeedier  •een mispunt
 Kwartier•een-vierde uur  •onderkomen  •positie van de maan (eerste kwartier)
 Kwast•rare vent  •schilders instrument  •een drankje
 Laag•geringe hoogte  •(de chocolade zit in de tweede laag)
 Lader•een persoon (de lader van de vrachtauto)  •een apparaat wat een accu kan opladen
 Lager•kogellager  •biersoort  •geringere hoogte
 Lak•verf  •onverschillig (lak hebben aan)
 Laken•afkeuren, verwijten  •doek op een bed
 Lam•een jong schaap  •beperkt in beweging (verlamming)  •dronken
 Land•een stuk grond  •een hekel hebben aan  •met een eigen regering
 Leer•bewerkte huid van een dier  •werkwoord (ik leer dansen)  •een ladder  •denkwijze (de leer van een geleerde)
 Leiding•leraar geeft leiding aan een klas  •(water)leiding
 Lel•onderste deel van het oor (oorlel)  •klap (iemand een lel verkopen)
 Lens•optisch instrument  •geslacht in de vlinderbloemfamilie
 Licht•schijnsel  •niet zwaar  •niet slim (dat is geen groot licht)
 Lid•deksel  •deelnemer van een groep
 Lijken•dode lichamen  •ziet eruit alsof
 Lijn•touwwerk op een boot  •dieet (zij doet aan de lijn)  •een scheiding  •hij drukt zijn snor (lijntrekker)
 Lijst•omlijsting van een schilderij  •opsomming
 Lof•groente  •bewondering (hij krijgt veel lof toegezwaaid)
 Loop•de loop van een rivier  •enkelvoud van het werkwoord lopen  •deel van een kanon, geweer, revolver
 Loper•wandelaar  •een sleutel die altijd past  •figuur in het schaakspel
 Lot•kans in een loterij  •bestemming (levenslot)
 Lui•een groep mensen (die lui daar)  •geen zin in iets doen
 Lust•fraai, mooi (een lust voor het oog)  •zin hebben in
 Maal•keer (2 maal 2 is 4)  •maaltijd
 Maat•een goede vriend  •aanduiding van een afmeting  •ritme aanduiding bij muziek
 Mal•raar (doe niet zo mal)  •een frame
 Malen•fijn malen  •gek zijn
 Manen•hemellichamen  •hoofd/nek begroeiing van een paard  •aandringen
 Mars•kunde (hij heeft heel wat in zijn mars)  •hemellichaam  •snoepgoed
 Mat•vloerbedekking  •waardering van een kleur  •eindpositie bij het schaken
 Meer•watervlakte  •aanduiding van hoeveelheid (Piet wil meer boterhammen)
 Meester•leraar  •titel (meester in de rechten)
 Meter•lengtemaat  •doopmoeder
 Mijn•een bom  •eigendom (dat is mijn auto)
 Min•aftrekken (5 min 3 = 2)  •negatieve beoordeling
 Minnen•liefhebben  •nadelen (veel plussen en minnen)
 Mis•verkeerd (u hebt het mis, u bent abuis)  •godsdienst uitvoering
 Mist•enkelvoud van het werkwoord missen  •dichte laaghangende bewolking
 Monster•specimen  •eng dier
 Mok•een drinkbeker zonder oor  •enkelvoud van het werkwoord mokken
 Mop•een koekje  •een grap  •een hondensoort
 Mot•een insect  •ruzie, onenigheid (hij heeft mot met de buurman)
 Motor•aandrijving van een voertuig, auto, vliegtuig (welke motor zit daarin)  •het geheel van een tweewieler welke motorisch wordt aangedreven
 Muis•een dier  •lichaamsdeel (de muis van de hand)
 Mul•een vis  •srtuctuur (mul zand)
 Munt•een geldstuk  •een plant
 Naald•handwerk gereedschap  •bouwsel ter herdenking (herdenkingsnaald)
 Naar•ergens heen gaan  •vervelend
 Nagel•een spijker  •een lichaamsdeel
 Net•even geleden (dat is net gebeurd)  •(dat ging maar net goed)  •vissers benodigdheid
 Neus•neus op je hoofd  •neus van je schoen
 Noot•muzieknoot  •een vrucht
 Omgang•een herdenking (een stille omgang)  •contact hebben (hij heeft omgang met Piet)
 Oog•lichaamsdeel  •een opening (het oog van de naald)
 Oor•lichaamsdeel  •handvat
 Op•niets meer aanwezig (de koek is op)  •plaatsaanduiding (Jan zit op de stoel)
 Oplichten•verlichten (oplichten in het donker)  •onrechtmatig benadelen
 Opname•foto, scan  •intake in een ziekenhuis
 Opscheppen•een bord met eten opscheppen  •beter voordoen
 Opstoot•boksterm (uppercut)  •relletje
 Overgeven•vomeren, braken  •kennis of voorwerp aan iemand overgeven
 Paard•turntoestel  •een dier  •figuur in het schaakspel
 Pad•een dier  •een weg(getje), voetpad
 Pakken•nemen  •meerdere pakken (de pakken hangen in het rek)
 Palm•lichaamsdeel (handpalm)  •biersoort  •een boom  •oude lengtemaat
 Pan•een pan op het fornuis  •een dal in de duinen (een duinpan)
 Pap•vader  •een gerecht
 Parket•vloerbedekking  •gedeelte van de rechtspraak
 Pas•een stap  •een pas(poort)
 Passen•de juiste maat hebben/nemen  •reisdocument  •bergovergang
 Patent•er goed uitzien (je ziet er patent uit)  •patent hebben op een uitvinding (octrooi)  •vaarbevoegdheidbewijs
 Patroon•een baas, werkgever  •meerdere malen voorkomen (ik zie daar een patroon in)
 Pen•schrijfgerei  •staaf met scherpe punt
 Pers•enkelvoud van het werkwoord persen  •een (druk)pers  •nieuwsvergaring
 Pest•plagen  •een ziekte
 Piep•piep jong  •enkelvoud van het werkwoord piepen (dan zou jij wel anders piepen)
 Pier•een worm  •aanlegplaats voor schepen
 Pijp•een rookinstrument  •een buis (pijpleiding)  •deel van een broek (broekspijp)
 Pil•een dik boek (een hele pil)  •geneesmiddel
 Pik•wrok (de pik op iemand hebben)  •houweel  •boothaak
 Pink•een jonge koe  •lichaamsdeel
 Pitten•slapen  •meervoud van pit
 Plagen•sarren  •ziektes (een pestplaag)
 Plak•weinig invloed hebben (hij zit onder de plak)  •enkelvoud van het werkwoord plakken
 Plassen•urineren  •meervoud van een plas water
 Ploeg•grond-omwoeler  •groep, team, afdeling
 Plomp•grof, hard, onbeheerst (die reactie is plomp)  •water (hij is in de plomp gevallen)
 Pluim•pluim uit een schoorsteen (rookpluim)  •waardering
 Poets•voor de gek houden (iemand een poets bakken)  •enkelvoud van het werkwoord poetsen
 Polsen•lichaamsdeel  •verkennend vragen
 Pony•een klein paard  •kapsel
 Poot•been van een dier  •enkelvoud van het werkwoorden poten (aardappels poten))
 Portier•een deur van een auto  •iemand die op wacht staat bij een ingang
 Post•brieven ontvangen  •hij staat op zijn post (op de plek waar hij hoort te staan)  •deurstijl
 Posten•deurstijlen  •wachtlopen  •versturen
 Pot•opbergmiddel (inktpot)  •lesbiënne
 Present•aanwezig  •een geschenk
 Prijs•gewonnen kado (de eerste prijs)  •bedrag  •openbaar maken (het geheim prijsgeven)
 Punt•spits  •leesteken  •argument (daar heb je wel een punt)
 Punteren•een boot voortduwen (in Giethoorn)  •een bal wegschoppen met de punt van de schoen
 Puree•moeilijkheden (hij zit in de puree)  •een gerecht
 Put•gegraven gat in de grond  •een slag in het golfspel om de bal in de hole te krijgen
 Raad•advies  •college
 Raap•knol (koolraap)  •duidelijk (recht voor zijn raap)
 Raket•waterijsje  •ruimtevaartschip
 Ramen•vensters  •inschatten
 Rammelaar •mannelijk dier  •speelgoed
 Rank •een takje (een wijnrank)  •slank, dun (rank figuur)
 Ras•vlug  •taxonomische groep
 Recht•niet krom  •toekomen (hij heeft recht van spreken)  •wettelijk toegestaan (het recht zegeviert altijd)
 Rede•aanleg / afmeer mogelijkheid voor een schip  •denkvermogen
 Rek•gymnastiektoestel  •uitbreiding (daar zit nog wel wat rek in)
 Rekel•een mannetjes vos  •een deugniet
 Ren•werkwoord: ik ren, wij rennen  •kippenverblijf
 Riem•om te roeien in een roeiboot  •broeksband
 Rijk•veel geld hebben  •een land (het rijk van de rijzende zon)
 Rijp•een vrucht is rijp (volgroeid)  •ijsafzetting
 Ring•rondweg (om een stad)  •versiering om een vinger  •geluid van een bel
 Roer•stuur van een schip  •enkelvoud van het werkwoord roeren
 Rol•een rol pepermunt  •een deelname (rol) in een toneelspel  •enkelvoud van het werkwoord rollen  •zich uitleven in uitgaansgelegenheden (hij/zij is aan de rol)
 Rook•verleden tijd van het werkwoord ruiken  •rook van een vuur
 Roos•een bloem  •middelpunt van een schietschijf  •schilfers in je haar
 Rooster•lijst met dingen te doen  •evenwijdige staven
 Ros•een paard  •de kleur van haar
 Rot•vervelend (dat is rot voor je)  •vergaan
 Rug•lichaamsdeel  •hoger gelegen langgerekte landvorm  •een langgerekt gebied met hoge luchtdruk  •kopse kant van een boek
 Ruim•wijd  •opslagruimte (het ruim van een schip)
 Ruit•een raam  •een geometrische vorm
 Ruiter•tab op een archiefkaart  •berijder van een paard
 Schat•werkwoord: de expert schat de waarde op  •mijn vrouw is een schat  •schat zoeken
 Schel•een bel  •fel (een schel licht)
 Schelen•verschillen  •mankeren
 Schenken•thee schenken  •geld schenken
 Schijnen•ziet eruit alsof  •verlichten
 Schip•hoofdruimte van een kerk  •een boot
 Schoft•schouder  •scheldwoord
 Schokker•soort boon  •soort boot
 School•onderwijsinstelling  •richting in de kunst  •een groep vissen
 Schoot•zitgedeelte op een zittend persoon  •lijn om een zeil op een zelboot te bedienen
 Schop•schep  •iemand een schop (trap) geven
 Schor•hees van stem  •buitendijks land
 Schot•afscheiding (een tussenschot)  •schieten (een schot hagel)
 Schots•uit Schotland  •ijsschots  •schots en scheef
 Schroef•bevestigingsmiddel  •voortstuwing van een boot
 Schuren•bouwsel  •hout bewerken
 Schurken•boeven  •ergens tegenaan wrijven
 Schwalbe•Duits voor zwaluw  •een fopduik in het voetbal
 Sinus•holten in de neus, voorhoofd en kaak  •wiskundige bewerking
 Slaan•een oplawaai geven  •tijd aangeven (het slaan van de kerkklok)
 Slaap•lichaamsdeel  •toe zijn aan slapen (ik heb slaap)
 Slag•een term bij honkbal (1 slag, 2 wijd))  •gebruik maken van de gelegenheid (hij slaat zijn slag)  •een draaiing (een slag in het touw)
 Slak•een dier  •verbrandingsrest
 Slang•een dier  •een soepele leiding (waterslang)
 Sleutel•apparaat om een slot (in een deur) te ontsluiten  •gereedscap (een steeksleutel)
 Slip•ondergoed  •ontsporen (de auto raakt in een slip)
 Slof•pantoffel  •hoeveelheid (een slof sigaretten)
 Sloot•waterloop  •hij sloot de deur achter zich
 Slot•einde  •burcht  •sluitmiddel (een slot op een deur)
 Smeer•uitstrijken (ik smeer een boterham)  •viezigheid
 Snert•een soep  •waardeloos
 Snik•zot, niet goed snik  •keelgeluid
 Snuit•neus van een dier  •enkelvoud van het werkwoord snuiten
 Soes•lekkernij  •enkelvoud van soezen, dommelen
 Spel•middel tot ontspanning (een spel spelen)  •enkelvoud van het werkwoorden spellen
 Spinnen•achtpotige insecten  •geluid van een kat  •wol bewerken
 Spoed•haast  •afmeting van schroefdraad op een bout
 Sporen•met de trein gaan  •voortplantingsmiddel van o.a. paddestoelen  •zich gedragen, die mensen sporen niet
 Sport•spel  •trede van een ladder
 Staat•hoe staat het ervoor (staat van beleg)  •een land  •enkelvoud van het werkwoord staan
 Staf•loopstok (herdersstaf)  •leidinggevende groep
 Stam•stam van een boom  •afstamming (ik stam af van Willem de Derde)
 Stappen•passen (voetstappen)  •naar een uitgaansgelegenheid (ik ga stappen vanavond)
 Steeg•een smalle weg tussen huizen  •verleden tijd van het werkwoord stijgen
 Steel•handvat  •enkelvoud van het werkwoord stelen
 Stel•een aantal (een stel mensen)  •voorwaarde (stel ik ga dat en dat doen)
 Stem•enkelvoud van het werkwoord stemmen (bij een verkiezing)  •vermogen om te spreken
 Stemming•humeur  •kiezen (we brengen dat in stemming)
 Ster•hemellichaam  •een barst in een ruit (liever een ster in mijn voorruit dan op de motorkap)  •erg goed zijn in iets (hij is een ster in het voetbal)
 Steunen•zuchten  •wij steunen de regering
 Stof•materiaal om kleding van te maken  •opwaaiende hele kleine deeltjes
 Stom•doof  •dom
 Stomp•niet scherp (een stomp mes)  •een vuistslag
 Stoof•een voorwerp om iets warm te houden  •een boomgroep om hakhout te winnen
 Stoppen•herstellen (van een sok)  •halt houden
 Stout•een biersoort  •ontdeugend
 Straal•een straal licht  •langste doorsnede van een circel  •hij loopt mij straal voorbij
 Straf•sterk (een straffe bak koffie)  •boetedoening
 Streek•regio  •een poets bakken, een streek leveren
 Streek•regio  •iemand een streek leveren, een poets bakken
 Streng•een streng bloemen  •een strenge leraar
 Strijken•op een zeilboot alle zeilen neerhalen  •wasgoed strijken
 Strip•een strook  •een serie opeenvolgende tekeningen
 Stroom•elektriciteit  •de loop van het water in een rivier (het schip vaart met de stroom mee)
 Sturen•een auto (be)sturen  •een pakje (ver)sturen
 Tafel•meubel  •tafel van twee
 Tang•gereedschap om iets vast te pakken  •oneerbiedige benaming voor een vrouw
 Tank•een oorlogsvoertuig  •een vat voor brandstof
 Tas•opbergmiddel  •een hoeveelheid (een tas stenen)
 Teen•lichaamsdeel  •een teen(tje) knoflook
 Teer•fragiel  •zwarte kleverige stof
 Tenen•uiteinde van de voet  •wilgenrank
 Teren•steunen op  •een materie (dat is van teer)
 Tip•uiteinde  •advies
 Tochten•reisjes  •winderig  •bronstig
 Toeter•claxon  •dronken
 Toets•proef, test  •indrukbaar blokje op bv. een telefoon, piano
 Toeval•per ongeluk  •een plotselinge ziekte
 Tol•speelgoed  •bedrag om te mogen passeren
 Ton•een vat  •een maataanduiding
 Tong•lichaamsdeel  •een vis
 Toren•uitstulping op een gebouw  •figuur in het schaakspel
 Traan•druppel vocht uit de ogen  •vette olie afkomstig van zeedieren
 Trap•schop (iemand een trap geven)  •bouwsel om omhoog te lopen
 Treden•de sporten van een trap  •negeren (de voorschriften met voeten treden)
 Trekker•een tractor  •haan van een geweer (de trekker overhalen)
 Troep•rommel  •groep, menigte
 Tuig•iemand van minder allooi  •leiband  •zeiluitrusting van een schip
 Uilskuikenonhandig iemand•  •kuiken van een uil
 Uitgaan•tripje  •een vuur doen uitgaan
 Uitleggen•groter maken (een broek uitleggen)  •begrijpelijk maken
 Uitspraak•vonnis  •uitspraak van een woord of zin
 Vaart•snelheid  •een kanaal  •enkelvoud van het werkwoord varen
 Vak•afgebakende ruimte in een lade  •leerrichting op school of werk
 Val•werkwoord: ik val  •een middel om een dier te vangen
 Valk•een vogel  •een type zeilboot
 Varen•dobberen  •sporenplant
 Vat•opbergmiddel  •grip (ik kan daar geen vat op krijgen)
 Veer•een veer van een vogel  •oversteekmogelijk op een kanaal, rivier (voetveer)
 Vel•huid van een dier  •een stuk papier
 Verlichting•een lamp aan doen  •verminderen (het raam open geeft enige verlichting)
 Vermogen•je rijkdom  •kunde om iets te doen
 Vers•een lied  •pas geplukt (die groente is vers)
 Versieren•onrechtmatig verkrijgen (hij versiert een strafschop)  •met versierselen aankleden  •een meisje versieren
 Vieren•werkwoord (hij viert zijn verjaardag)  •werkwoord (de teugels vieren)  •tijdsaanduiding (na vieren)
 Vijf•een getal  •hand (geef me de vijf)
 Vink•een vogel  •teken van klaar zijn (afgevinkt)
 Viool•een muziekinstrument  •een plant
 Vlaai•gebak  •poep van een koe
 Vlieg•enkelvoud van het werkwoord vliegen  •een insect
 Vlieger•speelgoed  •een piloot
 Vloeken•scheldwoorden  •niet in overeenstemming met (de kleur van de broek vloekt bij je schoenen)
 Vlot•drijvend bouwsel  •snel (dat heb je vlot gedaan)
 Vlucht•wegrennen  •vliegende groep vogels (een vlucht regenwulpen)
 Voet•een lichaamsdeel  •een Engelse maat (1 voet = 12 duim = 30.5 cm)
 Vorderen•opeisen  •vooruitgang boeken, beter presteren
 Vork•gereedschap om te eten  •onderdeel van een fiets (scooter, motor) waarin voorwiel en achterwiel zijn geplaatst
 Vorst•koning  •vrieskou
 Vos•een dier  •een vlinder (kleine vos)
 Vroeg•tijdig (ik sta vroeg op)  •verleden tijd van het werkwoord vragen
 Vuren•schieten  •houtsoort
 Waar•waar naartoe  •goederen (goede waar behoeft geen krans)
 Waard•duur (dat meubel is heel wat waard)  •gelaghouder (zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten)
 Wacht•werkwoord: wachten op  •op wacht staan (de wacht voor vanavond is soldaat Klaas)
 Wagen•vervoermiddel, auto  •durven
 Want•handschoen  •voegwoord
 Was•spullen om schoon te maken (wasgoed)  •bijenwas
 Wassen•schoonpoetsen  •uitdijen (het wassende water)
 Watje•minkukel (wat een watje)  •watjes in de oren
 Weer•opnieuw  •gesteldheid van de atmosfeer
 Weg•spoorloos  •een straat
 Wegen•gewicht bepalen  •toegang tot Rome
 Weken•zacht laten worden  •deel van een maand
 Wekken•iemand wakker maken  •inmaak van vruchten
 Werk•een baan  •arbeid
 Wiek•arm van een molen  •beledigd (in zijn wiek geschoten)
 Wijs•verstandig  •niet goed bij zijn (hij is van de wijs)
 Wild•in het wild levende dieren  •onstuimig
 Wind•het waait (een harde wind vandaag)  •een scheet (ik heb een wind gelaten)
 Wortel•rekenkundige bewerking (wortel trekken)  •een knol, wortels van een boom
 Zadel•zitplaats op een fiets  •plateau in het gebergte
 Zagen•snurken  •werkwoord: hout zagen
 Zak•opbergmiddel  •enkelvoud van het werkwoord zakken
 Zat•dronken  •verleden tijd van het werkwoord zitten (ik zat op de stoel)
 Zeer•pijn (je doet mij zeer)  •erg (ik ben zeer tevreden)
 Zeil•vloerbedekking  •het zeil op een zeilboot
 Zeven•een getal  •werkwoord (grove van fijne delen scheiden)
 Zij•persoonlijk voornaamwoord  •lichaamsdeel
 Zin•een rij woorden  •lust (daar heb ik zin in)
 Zinken•onder het wateroppervlak verdwijnen  •van zink
 Zwaard•een wapen  •kiel van een boot (zijwaarden, midzwaard)
 Zwaluwstaart•staart van een zwaluw  •een verbinding tussen houtdelen
 Zweer•ontstoken stukje huid  •enkelvoud van het werkwoord zweren (beloven)
 Zwijntje•een speenvarken  •een meevaller, een gelukje

*Homoniemen zijn woorden met identieke spelling én uitspraak, maar ongelijke betekenis (bv. een bank is om op te zitten én het is een geldinstelling). Selecties uit deze lijst zouden kunnen zijn dat er geen (vervoegingen van) werkwoorden zijn toegestaan (zoals stal en zinken), of geen meervoudsvormen (zoals teken en spinnen), of alleen maar enkelvoud van zelfstandige naamwoorden. In deze lijst zijn geen woorden gebruikt die al te onkies zijn, vaktaal die niet algemeen bekend is en geen woorden die alleen in een dialect voorkomen. Er is geen alom geaccepteerde definitie voor homoniemen.
Homofonen: identiek voor het gehoor, maar de woorden worden verschillend gespeld (bv. hart en hard).
Homografen: identieke spelling, maar de uitspraak verschilt afhankelijk van de betekenis (bv. regent: regenbui en bestuurder).

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 14 december 2018.

Colofon      Disclaimer      Zoeken      Copyright © 2002-  G. Speek